Get Adobe Flash player

  2011 is een feestjaar: Vitalski wordt veertig ! 

Komende Events

Vandaag

  1. voorprogramma Philippe Geubels

dinsdag 28 februari

  1. voorprogramma Philippe Geubels

zaterdag 3 maart

  1. "Overleef je partner" - met Veerle Malschaert
    • Starttijd: 21:30
    • Tel tickets: 03/360.85.50
      e-mail tickets: ccdeurne@stad.antwerpen.be
      Website: www.ccdeurne.be

    • CC Deurne Rix, De Gryspeerstraat 86, Deurne
    • Bekijk de details in Google Calendar

donderdag 29 maart

  1. Overleef Je Partner

vrijdag 30 maart

  1. "Overleef je partner" - met Veerle Malschaert
    • Starttijd: 20:15
    • Tel tickets: 011/34.65.48
      E-mail tickets: reservatie@ccleopoldsburg.be
      Website: www.ccleopoldsburg.be

    • Kastanjedreef 1 3970 Leopoldsburg
    • Bekijk de details in Google Calendar

vrijdag 13 april

  1. voorprogramma Philippe Geubels

Vitalski op Facebook

744856343 2 false false 1 24

"Ik slaap als een croissant"

Ik slaap als een croissant

Vitalski's ophefmakende autobiografie

 

Vitalski's autobiografie, "Ik Slaap Als Een Croissant", 500 pagina's, verschijnt bij uitgeverij Zorro, en wordt op Vitalski's veertigste verjaardag, op 26 januari 2011, voorgesteld in het Antwerpse Stadhuis.

Aldaar zal die avond cultuurschepen Philip Heylen Vitalski bovendien officieel tot Antwerps Nachtburgemeester slaan...

 

“Zolang je niet weet wanneer je sterfdatum is, kan je onmogelijk te vroeg aan je autobiografie beginnen.”

  Dit motto indachtig, schrijft de amper veertigjarige Vitalski over zijn jeugdjaren in de stille Kempen, zijn slangenmensenbestaan in Antwerpen en tenslotte over zijn streken als kleine vedette in België. 
Als schrijver, performer, flamboyant minnaar en gecontesteerd mediafiguur doorzwom Vitalski vele wateren; hij kreeg schrijflessen van JMH Berckmans en Gerard Reve, zat in de klas met Wim Helsen en Tom Lenaerts, kreeg telefoon van Chantal Pattyn en werkte nauw samen met Bent Van Looy, Mauro Pawlowski, Ben Crabbé en vele anderen. Daarom ontmaskert Vitalski zichzelf niet zonder tegelijk zorgvuldig de kroniek van zijn generatie op te maken; die van het tijdperk van Tom Barman. Een belangrijk boek. Monumentaal en meeslepend.
 

VITALSKI ALS LITERATOR

Hoewel Vitalski (°Turnhout, 1971) als officieus Antwerps Nachtburgemeester een veelzijdig schepper is, gekend als humorist, theatermaker, muzikaal entertainer, striptekenaar en mediafiguur, heeft in zijn loopbaan het voornaamste accent steeds op de letterkunde gelegen. Reeds als leerling op de middelbare school, afdeling klassieke talen aan het Atheneum van Turnhout, publiceert hij, onder zijn ware naam, Vital Baeken, diverse dichtbundels, stellingenboeken en novelles, bij de kleine uitgeverij De Psychedelische Koekjesfabriek uit Heist Op Den Berg. Op vijftienjarige leeftijd publiceert Vitalski zijn eerste gedichten in Diogenes en zijn eerste kortverhaal De Brakke Hond, dat van dan af geregeld werk van hem opneemt.
    In 1989 vangt Vitalski zijn studie Germaanse filologie aan, aan de Antwerpse universiteit. Voor zijn licentiaat specialiseert hij zich in letterkunde. Hij studeert met grote onderscheiding af met een eindwerk over de Nederlandse auteur Jan Arends. Nog als student won hij tweemaal op rij een prijs in de Interfacultaire Literaire Wedstrijd, een letterkundige kamp tussen alle Romaanse en Germaanse afdelingen van Vlaanderen; in 1990 won hij de derde prijs voor proza, in 1991 de eerste prijs voor poëzie.
    Na zijn studies richt Vitalski de tekstueel geaarde cabaretgroep Circus Bulderdrang op, samen met cultschrijver JMH Berckmans (°1953-2008), met wie Vitalski vier jaar lang intens optrekt. Het verhaal "Hoe Het Is" uit Berckmans' bundel "Het Zomert In Barakstad" is aan Vitalski opgedragen. In 1995 is Vitalski te gast bij Gerard Reve thuis, en wordt hij prompt een zijpersonage is Reves magnum opus "Het Boek Van Violet En Dood". Datzelfde jaar wijdt Harold Polis met zijn literair tijdschrift "Verschillig" een apart nummer aan het proza van Berckmans en Vitalski. Ook nog dat jaar schrijft Vitalski enkele theaterteksten samen met Paul Mennes.
    Als romancier debuteert Vitalski met de liefdestragedie "Het Huis Met Het Jachtgeweer" bij de kleine uitgeverij Kingkong in 2001. Op Radio 1 verklaart Guido Belcanto:"Ik wou dat ik dit boek had geschreven." In Humo noemt Bent van Looy dit "het mooiste boek van het jaar". Bij dezelfde kleine uitgeverij verschijnen meteen daarop een reeksje andere boeken van Vitalski. Eerst is daar de pseudo-autobiografische rondhangroman "De Geur Van Nat Haar", ook nog in 2001. Dit boek zal later pas het begin blijken van een heuse tetralogie. Het hoofdpersonage in deze geschriften heet eveneens Vitalski, maar het figuur verschilt hierin van de ware Vitalski, dat de Vitalski in het boek zich niet met enige artistieke bezigheden ophoudt - vandaar juist de term "rondhangroman". Het boek ligt goed in de markt, mede doordat Vitalski dat jaar een column heeft op Studio Brussel, in het programma "Collage", waar hij zijn literaire capriolen kan debiteren, zij aan zij met Dimitri Verhulst en Christophe Vekeman.
    Het jaar daarop, in 2002, verschijnt Vitalski's merkwaardige weeshuizenroman in briefvorm "De Verknalling", en in 2003 de pornografische roman "De Stiefmoeders", geïllustreerd door zijn broer Serge Baeken. Met de dichtbundel "Het Gedicht Jongen En Andere Gedichten" in 2005, neemt Vitalski afscheid van Uitgeverij Kingkong.
    Ondertussen onderhoudt Vitalski een wekelijkse column in Gazet Van Antwerpen, een reeks die loopt van 2001 tot 2007. In het jaar 2003 publiceert Vitalski columns voor De Morgen - meestal columns met letterkundige onderwerpen. In 2004 en 2005 presenteert Vitalski op Vitaya het enige boekenprogramma dat de Belgische televisie op dat moment rijk is; "Vreemdgaan Met Boeken", in opdracht van de boekhandelketen "Colibro". In Knack noemt Karl van den Broeck deze uitstap "tout court het beste televisieprogramma van het voorbije jaar."
     In 2005 neemt toenmalig directeur van Boek.Be, Dorian van der Brempt, Vitalski onder de arm, om hem tot officieel ceremoniemeester van de Boekenbeurs te dopen. Zo ontvangt en interviewt Vitalski non-stop alle auteurs die dat jaar van tel zijn; Geert Mak, Tom Lanoye, etc. Datzelfde seizoen wint Vitalski in Nederland de "Johnny van Doornprijs", vanwege wat door de jury wordt genoemd "beste gesproken woord-optreden van 2005". Zijn voorgangers hierin zijn ondermeer Jules Deelder en Tom Lanoye. Remco Campert schrijft op de voorpagina van De Volkskrant:"Vitalski kan zoveel, dat ik jaloers op hem ben." Voor het in ontvangst nemen van de prijs is Vitalski te gast in het tv-programma "De Wereld Draait Door."
    In 2006 vindt Vitalski onderdak bij de uitgeverij The House Of Books. Die brengt opnieuw "De Geur Van Nat Haar" op de markt, en tegelijkertijd ook het vervolg daarop, "Behekst", en in 2007 het derde deel, "Op Sterk Water". Voordat "De Fetisj", het vierde deel van deze cyclus, voltooid is, houdt deze uitgeverij op met bestaan, en brengt Lampedaire Uitgevers dit sluitstuk uit, in 2007.
    Nog in 2006 is Vitalski te gast in het programma "De Zevende Dag", naar aanleiding van het overlijden van Gerard Reve.
    In 2007 presenteert Vitalski de boekvoorstelling van Kristien Hemmerechts' biografie "Bloot Zijn En Beginnen" in de Permeke Bibilotheek. In 2008 publiceert Vitalski op de website van DeBuren een reeks columns met een ernstig literatuurwetenschappelijke inslag, over Paul Snoek, Hugo Claus, Dirk van Bastelaere. Voor deze column ontvangt hij in de media complimenten van Joost Zwagerman.
    In 2009 en 2010 doet Vitalski diverse lezingen over Willem Elsschot, ondermeer in opdracht van de vereniging Behoud De Begeerte.

In zijn lijvige, strikt feitelijke autobiografie "Ik Slaap Als Een Croissant" schrijft Vitalski over zijn jeugdjaren in de Stille Kempen, zijn slangenmensenbestaan in Antwerpen en tenslotte over zijn streken als vedette in België. Als schrijver, performer, flamboyant minaar en gecontesteerd mediafiguur doorzwom Vitalski vele wateren. Daarom ontmaskert hij zichzelf niet zonder tegelijk zorgvuldig de kroniek van zijn ganse generatie op te maken; die van het tijdperk van Tom Barman.

Ook als humorist onderscheidt Vitalski zich door de vaak meer verhalende aard van zijn toneelvoorstellingen. Producties als "De Lifter", "Blauwbaard" en "De Gelaarsde Kat" leunen meer aan bij de klassieke, komische vertelling dan bij de zuiver comedy. Zelfs als mediafiguur betoont Vitalski zich waar mogelijk, bijvoorbeeld in het radioprogramma "Bromberen" in 2009, prozaïsch en beschouwend.

Als auteur staat Vitalski met zijn achting voor Gerard Reve niet ver van Christophe Vekeman, al is Vitalski's
 

 

extract deel 1:
de prille jaren zeventig...

Op een nodeloze namiddag was ik eens, tezamen met mijn twee oudere Broers, aan het rondhangen ter hoogte van de zandbakken van de Witte Wijk. Mijn Broer Serge geraakte oppervlakkig bevriend met een zekere Pascal die daar ook uithing, een krullenkop, die een paar jaar ouder was dan hij. We probeerden ieder om beurt met een kapot koersfietsje op een dunne, met roestige spijkers beslagen houten richel te fietsen, welke die zandbakken omgordde, en hoewel er duidelijk iets aan die belhamel mankeerde, hadden we hier toch een beetje plezier in. Totdat er opeens twee jongens van zestien arriveerden (grote jongens noemden wij per definitie “jongens van zestien”); ze lieten die Pascal tot bij hen komen;-“Vijf frank als gij die grootste daar een serieus pak rammel bezorgt!” Die kerels wezen mijn Broer Serge aan. Met zichtbare tegenzin maar desalniettemin, sprong die Pascal mijn Broer Serge frontaal te lijf. Hij roste hem volledig af, trapte hem in zijn buik, sloeg hem op zijn gezicht. “Meer pap vreten!!” En met zijn centen op zak, nam die Pascal de benen weer. Tante Brigitte, de jongste Zus van mijn Moeder, knoopte het mij en mijn Broer Thomas met misprijzen in de oren, hoe laf wij waren geweest –“Gijlie waart toch met zijn gedrieën??” Zei ze streng.
    Eén keertje, een aanzienlijk aantal jaren daarna pas, vocht ik ook zelf wel eens, eigenhandig. Wellicht was ik er toen elf. Na wat heen en weer gepest, kreeg ik opeens De Witte Michel tegenover mij te staan, in de bosschages recht tegenover ons huis. Die witharige Michel was een bijzonder ruige jongen, gevreesd door de meesten van ons, gevaarlijk als hij was doordat hij te dom was voor morele restricties. Ik was altijd als de ergste voor hem beducht geweest, doch gewoon hormonaal op mijn schreden vooruitgeblazen, duwde ik hem die regenachtige middag dan toch, zomaar ineens, tegen een elektriciteitskastje aan, feitelijk zonder concrete aanleiding. Het gebruikelijke kringetje supporters verzamelde zich rondom ons – “Hoi!!,-hoi!!,- hoi-hoi-hoi!!” Wat we deden, was niet echt vechten, maar worstelen. We legden het alleruiterste van onze krachten op elkaars lichaam, vanaf in onze teentoppen tot in het uiterste van onze vingernagels trachtend, meer te kunnen wegen dan de ander - en zo kreeg ik hem eronder, misschien ook omdat ik ietsje ouder was dan hij. Ik kreeg hem in de knel tussen mijn twee ellebogen, drukte hem met zijn rug in het natte, losse zand - hij bood zich aan om een klap voor zijn vuile smoel te ontvangen, vrijspel kreeg ik. Ik kon het niet opbrengen, na één seconde verwarring liet ik hem alweer los, en liep weg van het tafereel. Bibberend en struikelend, spasmodisch huilend stak ik de Merellaan weer over, om langs achterom in ons huis binnen te vallen. Niemand van mijn Broers had er een idee van wat ik achter de rug had. Mijn Moeder was kwaad omdat mijn kleren, klaarblijkelijk, naar de vaantjes waren. Dat ik De Witte Michel verslagen had (zonder dat iemand het wist – behalve De Witte Michel zelf!!), was een argument waarmee ik vooral bij mijn Moeder niet hoefde aan te kloppen.
 
Iets voor de Kerst van 1976 zag nog een vijfde kind, als een nakomer, het daglicht; Jeroen Baeken, alias Noekipoe. Zijn komst in ons vredige huis was een hemels iets. Ik kon urenlang op een stoel bij zijn wieg staan om hem te bewonderen. We mochten het meemaken van zeer dichtbij, hoe dit kereltje leerde lopen. We konden ons kromlachen met hem. Bijvoorbeeld die dag toen hij op de keukenvloer plaste als we hem water aanreikten: juist zolang als hij dronk, plaste hij op het tapijt, maar ogenblikkelijk van zodra hij eventjes ophield met drinken, hield ook dat plassen weer op.
    Esthetisch én ethisch bleek Noekipoe een soort engel, regelrecht uit de catechismus. Kreeg hij een zak snoepjes cadeau, dan deelde hij die snoepjes met zoveel plezier aan iedereen uit dat hij er voor zichzelf geen meer overhield. Wat hij dan niet eens erg vond. Mijn gedicht “Jongen”, uit 2004, is aan hem opgedragen,- met daarin de uitroep:“Alleen gij redde destijds vliegen uit het bad!”
    Toen hij er vijf was, kreeg hij op een dag een integraal wespennest op z’n lijf en leden. Nonkel Jos had ons nog gezegd om uit de buurt van dat levensgevaarlijke kreng te blijven. Toch waren we er gezwind en met zijn allen naar aan het keuteren geweest, met een lange vishengel. Tweehonderd en zoveel wespensteken. Een krijsen als uit Gomorra,- van uitgerekend de normaal zo muisstille Noekipoe... De wagen in (een Volga), en op naar het ziekenhuis...
  
We zaten in geen enkele boyscouts- of Chirogroep. Dat vonden we namelijk belachelijke bedoeningen. Wel waren we een tijdlang bij een volksdansbeweging, met name bij de groepering genaamd Bremheks, welke oppositie voerde tegen Dophei,- welke beweging toen, tot onze komst, alleenheerschappij uitoefende over de gehele Vosselaarse regio en omstreken. Bremheks, onze eigen club, bestond uit een veertigtal prachtige, jonge, grote meisjes met flinke knieën en korte jeansbroekjes, en voorts maar drié jongens: mijn Broer Tom en ikzelf en nog een zekere Edwin Dobs, een levendige doerak uit de Spechtenpad. Goddelijke zaterdagen waren dit, waarbij de ellendige, vervelende fietstocht terug naar huis nadien, langs het deprimerende “Diepvenneke”, afstak bij de weelde van die vele, wentelende schoonheden, de hypnotische muziek, de flipperkast in de goed warm gestookte kantine.
    Voorts brachten we alle weekends exhaustief door in de oneindige tuinen van het kleine Dallas waar Moemoe Tresje resideerde, achter de hoge, Charles Dickens-achtige, gietijzeren poorten van haar villa op de Steenweg Op Oud-Turnhout. Wij, de kinderen, vochten oorlogen uit in de gigantische tuin of in de veranda, binnen kaartten de volwassenen. Wat eveneens gegarandeerd klinkende ruzie opleverde. Tante Liza begon te huilen; een van onze Nonkels was razend op haar - omdat ze, zo riep die Nonkel, haar klaveren koningin véél vlugger op tafel had moeten gooien! Met slaande deuren verliet die Nonkel het pand. “Die komt wel weer terug,” zei mijn Grootmoeder lachend. “Zijn frak hangt daar nog.”
    Toefden we ’s zaterdags met de familie niet hier, in Oud-Turnhout, dan wel, voornamelijk ’s zomers, in de bossen van Kasterlee, waar Tante Maria en Nonkel Jos over een vreemde, houten chalet beschikten; een heus buitenverblijf. In de geur van terpentijn en pas geverniste splinterbalken, kwam ik voor de eerste keer pardoes met hekserij in aanraking. Op een open plek tussen de vele sparren achter het wat grimmige huis was er een poppenkast geïnstalleerd; na wat geruzie, was het mijn beurt om met de poppen te spelen, voor mijn aandachtige Neven en Nichten, om er een zo spannend mogelijk schouwspel van te brouwen. Een van deze poppenkastpoppen werd door ons de “Rotte Patat” geheten; dit personage bestond slechts uit een enkelvoudig stukje tak hetwelk dwars door een aardappel stak, meer niet. Dit terzijde. Ik speelde, zo dacht ik, de pannen van de hemel, de ganse namiddag lang; maar op de nog langere duur brak er toch het moment aan waarop ik het voor bekeken hield. Pas toen, en eerder niet, zag ik dit volgende in: ik was mij de hele tijd door aan het opwinden en uitsloven geweest voor een verzameling ledige stoeltjes. Iedereen was er vandoor. Sinds hoelang geleden reeds? Eén drama was uiteraard dat idee op zich: het feit dat ze waren opgestapt; het andere drama was dat zij het daarenboven hadden verzuimd om mij te verwittigen.
    Een gelijkaardig onverbiddelijk trauma deed zich voor rond diezelfde barre tijd; een kleine serie fraaie woonhuizen verderop in de altijd wakkere Merellaan, waar wij woonden om er nooit, ooit op een dag, te zullen weggaan, had een zekere Bennie in zijn achtertuin een aquarium met kleine waterschildpadjes. Die waterschildpadjes waren een noviteit, van Vosselaar Kermis afkomstig. Zonder uitzondering àlle kinderen van de buurt stonden hier halfoverstuur voor aan te schuiven, in een ellenlange rij voor het deurtje van Bennie zijn tuinhuis, waar die wondere diertjes aldus te bezichtigen vielen -“Nooit meer dan twee mensen tegelijk mogen binnen!!” Zo was het motto. Eens ik, eindelijk, aan de beurt kwam, zei die Bennie opeens tegen mij apart:“Gij niet!!” Ik snapte niet wat hier gebeurde - met een gestrekte arm versperde hij me de toegang. Hij stuurde me weg, en er zat niks anders op dan aan zijn order onverwijld gehoor te geven. De kinderen die meteen na mij kwamen, mochten er wél gewoon weer in...
    Bovengenoemde opdoffer verwerkte ik door mij toen, diezelfde middag nog, huiverend weer thuisgekomen, in alle heimelijkheid een nieuwe identiteit toe te dichten:“De Ontsnapper” was ik toen voortaan. Iedereen mocht mij vastbinden, ik kon toch weer loskomen. Niemand kon mij doorgronden.
    Aldus leerde ik de kracht van eenzaamheid nader kennen.
   Vaker dan mijn Broers was ik ertoe geneigd om mij af te zonderen. Onder meer onder de nochtans weinig herbergzame, arduinen trap in het portaal van de buren, de Vandereyckens,- bijvoorbeeld om er liedjes te zitten zingen, welke ik ter plaatse uit mijn duim zoog. Op de speelkoer dachten de kleuterjuffen soms dat ik droevig was – maar ze hoefden me absoluut niet te komen troosten, ik wilde gewoon alleen zijn. Ik herinner mij de fascinatie voor het feit dat “Jeroen”, de naam van onze laatstgeborene, rijmde op “citroen”. Dit scheen ergens te kloppen, op een zuiver magische manier, en daar maakte ik dan liedjes rond, die niemand anders hoefde te horen.
    De andere kinderen joegen me vrees aan. In de eerste kleuterklas werd een vriend van me, Bart Bouweraerts, vlak voor mijn ogen in de boeien geslagen. Hij krijste als een gespeend varken. Hij verzette zich als een duivel in een vat wijwater, maar alle kinderen wierpen zich op hem. Bij zijn enkels werd hij door de gangen gesleept.
    Een geluk was wel dat mijzelf dit soort van marteldansen kennelijk bespaard bleef. Zo er ergens herrie uitbrak, slaagde ik er meestal in, onopgemerkt aan de zijlijn te blijven.
    Maar vanaf toen reeds, van kindsbeen af, waren mijn vrienden steevast de underdog. Die waren het, vanaf in het begin, die vanzelf naar me toe kwamen. Zoals ik het later zou omschrijven in mijn theatermonoloog “De Ondergang Van Patrick Dieltjens”: de meeste kinderen met wie ik in de kleuterklas en de lagere school bevriend geraakte, belandden datzelfde jaar nog in het B.L.O....
    Hier dan iets uit de tweede kleuterklas...
    We bevonden ons in het duffe klaslokaal tussen de prenten van Sneeuwwitje. Er was een zekere Sven, die altijd een beetje werd bevoordeeld, vermoedelijk omdat hij en zijn jonge Zusje Zarah hier vlakbij woonachtig waren in een echte molen – in een straat geheten de “Oranje Molenstraat”. Die morgen kwam deze genaamde, ietwat verwaten Sven later pas dan wij naar binnen; hij droeg, tot mijn consternatie, een vikinghelm. Onze opzichtster, Juffrouw Fretteur, sprak de volgende woorden uit:“Amai zeg, kijk eens allemaal: daar komt Asterix naar binnen!” En alle kinderen krijsten prompt in koor:“Asterix!! Asterix!!”
    Zelf dacht ik heimelijk:“Wat een sufferds!!...” Dankzij mijn Broers wist ik natuurlijk allang dat wat dit rotkereltje op zijn kop droeg, misschien wel degelijk een vikinghelm was, maar hoegenaamd niks te maken had met de helm die Asterix droeg in de strips. De helm van Asterix zag er anders uit, die had twee vleugeltjes, om te beginnen. Het ergerde mij treurig dat hij er zo’n succes mee had.
    Wat daar nog bijkwam, was dat ik mij datzelfde jaar tot flauwvallens toe tot zijn Zus wist aangetrokken, de sluikharige Zarah van diezelfde molen. De natuurlijke macht waarover zij beschikte, was om halfgek van te worden. Alle kinderen van de klas, zo merkte ik, commandeerde zij naar haar believen. Om sommige kinderen uit te stoten, verzamelde zij haar aanhang rond een vierkante tafel, bijvoorbeeld ergens waar je met klei kon spelen; eerst zei ze dan:“Alleen meisjes met een rode jas mogen meedoen.” Bleef er in die groep dan toch nog iemand over die haar niet aanstond, dan voegde ze daar aan toe:“Alleen meisjes met bruine ogen mogen meedoen.” Zelf lag ik er altijd meteen al uit,- omdat ik geen meisje was, daarom alleen al.
 
Op zeven- of achtjarige leeftijd overkwam mij reeds mijn allergrootste liefde ooit. We kwamen thuis van een fietstocht, mijn Broers en ik, en in de bosrand recht tegenover ons huis, waar de gemeente onlangs een allereerste schommel was komen neerzetten, bewoog zich een bosnimf, een goudharig meisje in een wit T-shirt en een blauw broekje - een meisje zo mooi als in een sprookje. Ik fietste naar haar toe. Meteen zaten we tezamen, zonder elkaar iets te zeggen, te schommelen in die grote, ronde, smeltende autoband welke die schommel immers uitmaakte. We zeiden elkaar niets, maar bleven elkaar bekijken, net zolang tot mijn Moeder mij met aandrang weer naar binnen riep. Ilse Schoenmaekers,- de Burgemeesters van Vosselaar, overigens, heetten keer op keer Schoenmaekers... Zoals mijn Grootmoeder langs Moeders zijde het altijd stelt: je àllereerste liefde ooit, blijft voorgoed de meest sublieme. Eender wat daarop volgen mag, alle jaren daarna; niks kan daar uiteindelijk nog aan tippen. Met die Ilse zou ik tweemaal een langdurige romance hebben, als in de sterren genoteerd. Toen zij het dan toch, definitief, liet afzeggen, ging zelfs mijn beste vriend Dirk Vandereycken overstag. Ook hij was verliefd op Ilse Schoenmaekers; maar dan zo erg en zo passioneel dat het zelfs voor hem, zijn rivaliteit ten spijt, niet te verkroppen viel dat ze gebroken had met mij, met ons. Iedereen die nog voorbijkwam in het bos, kon hem achter het struikgewas horen huilen als een gevangen dier.
    Hoe konden die meisjes zo mysterieus zijn? En aantrekkelijk en elegant? Als zij op hun fiets kwamen aangereden om uitgerekend aan mij te komen melden:“Els Goos vraagt het met u aan.”
    Dan moest je “Ja” zeggen, en dan was het aan. En dan kon je niet meer slapen, doch klonk zelfs het ijskokarretje dat door de schemerende straten snorde als Mozart.
    Ooit dien ik hier meer uitgebreid over te schrijven; over Anja Meynendoncks; hoe die zich, aan het fietsenrek van het ijssalon “Romantico”, onder haar blouse liet grijpen, en daar smalle maar vreemde borsten bleek te hebben. Of over mijn Zus, die me vertelde waarom ze haar vriendjes juist met opzet tegen de kasten van onze garage liet aanlopen, door daar het licht uit te doen nog voor ze weer helemaal buiten waren...
 

extract 2
de tweede helft van het jaar 2002.

4.
Na deze drie accidenten,- eerst dat Supermanpak, vervolgens het correct zogeheten “Beledigend Ontbijt”, en tenslotte die afgang op Humorologie, oordeelde Prinses Riki dat ik het land even uit moest; niet om te luieren, maar met de bedoeling om naar Vlaanderen toe duidelijk te maken dat ik geen folklore was. Zo gebeurde het onverwijld, in het begin van de warme maand juli, dat we naar het bolwerk van Charles Dickens overstaken. In de loop van de komende twee jaar zouden we die reis een drietal keren overdoen, telkens met de trein; die eerste keer belandden we in een angstaanjagend gammele airbus, volgeladen met druk doende, orthodoxe Joden, die geen halve seconde konden stilzitten. Een zwevende koekentrommel – het leek alsof we er salto’s mee door de lucht ondernamen. “Ik had dit niet mogen doen,” zei Riki met een bange zucht.
Bij aankomst in Heathrow, Europa’s grootste vliegveld , waar ik nooit eerder geweest was, was het een opluchting om mijn beide voeten toch weer op aarde te mogen neerplanten, als na een mirakel bijna; zodat ik er stante pede mijn schoenen liet oplappen, door twee van die vele, drukdoende schoenpoetsers die Heathrow terroriseren. Ik zwoer meestal bij ouderwetse, op de duur nog moeilijk te vinden puntschoenen; deze zomer had ik aan mijn voeten echter een stel opvallend modieuze dingen hangen; jeugdige, knalrode basketters (een kleur, voor schoenen van rond het jaar 2000 kenmerkend), inmiddels wel dermate versleten dat die jongens er een sport in zagen om er toch iéts van te brouwen. Met een aansteker versmolten ze mijn veters tot nieuwe vormen. Hun collega’s kwamen er geïnteresseerd bij staan kijken en becommentariëren. Ze vroegen me verbijsterd waar ik vandaan kwam - van Passchendaele? Maar dat is zo’n, wat men noeme, “biografeem” van me (dwz. “biografeem” = “de kleinste eenheid van biografie”): eender of ik thuiszit of rondhang, mijn schoenen geraken altijd onbevattelijk vlug versleten. Mede doordat ik ook altijd over maar één paar beschik; als ik er nieuwe haal, eens om de twee jaar, meestal in september, laat ik het vorige paar liefst achter in de winkel.
Op alle vier van onze reizen naar Londen deed ik telkens een drietal optredens, eenvoudige conferences van telkens een goed kwartier. Eén week eerder was Riki hier in haar eentje al een kijkje komen nemen, om een paar organisatoren van hier zogenaamde “comedy nights” aan te spreken. Intussen was ik er bij me thuis, aan mijn salontafel, tussen de leguanendieren, naarstig mee doende geweest, enkel mijn meest simpele grappen naar het Engels te vertalen – een bepaald houterig Engels; meer zat er niet op. Aanvankelijk zou ik proberen om het stukje comedy dat hieruit voortkwam, te brengen zonder tekst in de hand; tijdens mijn eerste optreden in Engeland zag ik echter al in dat ik er juist wel bij voer, mijn knokige one liners niet op te zeggen, doch voor te lezen; uit de losse pols, maar wel degelijk, aldus, met het schriftje erbij. Die eerste keer ging mij slecht af; ogenblikkelijk een paar uur na aankomst ergens op het eerste verdiep van een tamelijk ongezellige pub in Camden Highstreet, een club genaamd “Laughing Horse”, zag ik mij overvallen door een bepaald huiveringwekkende gradatie plankenkoorts - alsof ik in waarheid, zo voelde dit, nooit eerder al eens op een podium had gestaan. Alsof ik sprong zonder valscherm.
Bij de optredens die volgden, mocht ik evenwel merken dat die vaak lichtjes gedeprimeerde, Britse bleekscheten die ze waren, mij persoonlijk in feite niet ongunstig gezind waren. Op zo’n comedy night waren de meeste aanwezigen zelf comedian; vreemde eend die ik voor ze was, ervoeren ze mij niet als concurrentie. In de mate dat ik hier al werd opgemerkt, werd ik als regelrecht stapelgek aanzien, en daarom ook wel als vermakelijk. Zoals de meeste bewoners van Albion niet alleen mij, maar alle Belgen met Obelix verwarren – volk als we zijn van wat voor hen, hooguit, een doorweg is naar Frankrijk of Duitsland.
Over deze vier overzeese excursies verspreid, speelde ik in cafés waar ik de naam nu niet meer van terugvind, doch daarnaast ook in bescheiden doch zeker niet gans eerloze clubs zoals het gekende Mirth Control in George Street (ofte “Off Bakerstreet”), alsook in het veel nog meer gerenommeerde Pear Shaped in Charlotte Street. Een zeker effect in ons eigen land bleef dan ook niet uit. Een door Mario Demunck gedetailleerd uitgewerkte filmreportage betreffende een paar van deze niet koud onthaalde gigs, belandde spoorslags op de immer broeiende website, Kingkong, en voor een interview daarover belde Jeroen de Preter van De Morgen mij op. Ook Filip Marsboom schreef er, voor Gazet Van Antwerpen, een vuurwerkachtig stuk over. Vanuit Londen zelf nog, kwam ik op de Belgische radio middels een telefonisch interview op “De Wilde Geruchten”, door Annemie Peeters. Wat ons een grote kick gaf; zo’n instant, internationaal gevoerd radiogesprek vanuit een ligbed in het Dorchester Hotel. Riki koos steevast voor vier sterrenhotels... En betaalde alles... Al liet zij zich niet belazeren, met diefachtige hotelmanagers aan de balie maakte zij, eender hoe vroeg in de morgen, klinkende ruzie tot ze gelijk kreeg.
Met deze Engelse uitstap won ik ook, zo zou ik spoedig inzien, het respect van Boogy Boy, de Vader van Marilyn Ambach, het fotomodel, met wie ik bevriend werd toen ze, een paar maand eerder, had deelgenomen aan mijn vrouwenexposities. Vanavond,- een warme, vroege zomeravond, de nevels van de Thames nog in mijn T-shirt zonder mouwen -, reed deze gezwinde, als een luipaard zo erg lekker in haar soepele vel glimmende rijkeluisdochter mij in haar sportwagen richting de bepaald adembenemende villa van haar Pa. Bij afscheid zei die Pa haar altijd, zei ze me:“Dochterlief, zorg dat je de weg naar ons thuis altijd nog terugvindt,”- en ze vertelde mij dat ze die frase niet begreep...
Het was moeilijk om niet naar haar borsten te kijken...
Die avond was de Vaderbeer toen juist, als Boogy Boy, aan het repeteren geweest aan zijn immense vleugelpiano, middenin zijn grote woonkamer, die volhing met gouden platen van voornamelijk artiesten uit Los Angeles. Hij onderrichtte mij ter plekke in het pianospel van de blues, het verschil tussen de zwaartekracht van de linkse en die van de rechtse hand. Vervolgens kwam hij niet op het idee, zijn microfoon opzij te leggen; hij toonde me zijn huis, zijn handtekeningen van Iggy Pop, maar onderwijl bleef hij aldoor, een boeiend anderhalf uur lang, door die microfoon van hem tegen mij aan lullen. “Dus jij bent Vitalski - ik heb gelezen dat jij zonet in Londen hebt gestaan,” sprak hij, wel tien keer na elkaar. Met zijn eigen twee ogen had Boogy Boy me bezig gezien toen ik zijn Dochter in Het Salon in de Kronenburgstraat introduceerde aan het publiek; daaromtrent gaf hij me nu het advies, zoiets veel meer perfectionistisch aan te pakken, door beter voor ook de technische afwerking te zorgen. “Maar,” bracht ik in, “Ik was daar toch maar de presentator? En toch niet de technieker of zelfs maar de organisator?” “Dat is geen excuus. Je naam staat erboven, dus je moet àlle touwtjes in handen hebben.”
De tweede keer in het Land Van Albion, ter besluit, in de late herfst van 2002, knoopte ik, op een feestje in een woonkamer, waar we terechtkwamen in het kielzog van een comedykenner met, kennelijk in het bijzonder, voor Riki’s gevoel voor humor een voorkeur, een zekere vriendschap aan (toch ook weer stoer) met een Londense, vrouwelijke humorist, genaamd Jo Romero, met wie ik voorts respectvol, tot vandaag de dag toe, correspondeer. Ze hielp mij aan twee of drie andere optredens in Londen, en op eigenste beurt hielp ik Jo Romero aan een paar optredens in het Gentse, in De Fantast, tijdens de Gentse Feesten van 2003.

5.
Nog in juli, in België terug, woonde ik tezamen met Riki een voorstelling bij van Companie De Koe in Monty, een stuk geheten “De Schrijver En De Koning”. Behalve door, zoals gebruikelijk, het charisma van de kannibalistische Peter Van den Eede, werd ik, zo mogelijk eens zo hard, getroffen, teneinde niet te zeggen tegen de muur gedrukt, door het acteerwerk van de verpletterende Damiaan De Schrijver - voorgoed, met onderscheid, mijn lievelingsacteur sindsdien. Die avond, daar en toen, sorteerde zijn spel bij ieder aanwezig, zag je, een zo erg ontwapenende uitwerking, dat je er tegelijk angstig én vrolijk van werd. Als door deze zachtaardige elektriciteit die het was, geïnspireerd, fietste ik vrijwel meteen na de voorstelling weer naar huis, om daar de deur op slot te doen, de hoorn van de haak te nemen – om als zodanig, op vier maniakale etmalen tijds, een integraal nieuwe monoloog te componeren, meer vertellend dan, zoals mijn eerdere monologen, vrijblijvend meanderend; welbeschouwd dus geen werkelijke conference, doch eerder een geestige, aandachtig naar zijn trechtervormige slotscène gerichte griezelvertelling:“De Ondergang Van Patrick Dieltjens”.
Mede verkeerde ik, tijdens dit schrijfproces, onder invloed van psychedelische paddenstoeltjes uit Tilburg, welke mij waren toegestuurd door het dichterscollectief “Frietkaas”, hetwelk zich, op deze manier, trachtte te excuseren voor, eertijds, die potten verf die ze over mij hadden uitgekapt; door die kleine, dunne, zure gifpaddenstoeltjes schenen, zag ik in, mijn gebruikelijke spitsvondigheden strikt overgoten met een dunne, lijmende saus van beklemming, niks minder. Er kon uit mij geen stem opdoemen, of meteen was daar ook, tegelijk, een tegenstem; urenlang, zelfs dagenlang struikelde ik, hier in huis, in mijn warme veranda, met een kleine dictafoon in mijn twee handen, als bezeten over de ene koortsachtige paradox na de andere. De Schrijver, die hiermee voorts, duidelijk dus wel, geen zak of reet te maken heeft, had toevallig, toch alvast bij mijzelf, de indruk gewekt zich, al acterend, nauwelijks of toch zeker niet noodzakelijk letterlijk aan zijn tekst te houden; eerder scheen hij zich losjes van thema naar thema te manoeuvreren, met af en toe wellicht een zinssnede of een houding als soort van refrein, als een beweeglijk houvast. Op die wijze althans bracht ikzelf intussen mijn eigen verhaal; ik wist, voor mijzelf, wel zeer goed waar het geheel naartoe ging, plus hier en daar onderweg in het verhaal wist ik een schat geborgen, doch voorts betrof dit een kwestie van mijzelf los te laten.
Ik deed een try-out in de woonkamer van Bart Van Nuffelen. Hijzelf, maar ook een paar anderen van mijn meest nabije vrienden, ook Riki en Baby Olifant, oordeelden dat dit mijn beste stuk tot dusver betrof.
De officiële première van “De Ondergang Van Patrick Dieltjens” zou pas, zoals Riki dit organiseerde, plaatsgrijpen op 12 april 2003, in de kleine zaal van de Arenbergschouwburg, voor een reeks van vier. Dankzij de vereende inspanningen van Riki en Theaterbureau XL kon ik er daarvoor echter al mee op de baan, om alvast wat te roderen, in diverse culturele centra in het land. Ogenblikkelijk, een paar dagen nadat ik het ding bij elkaar had geschreven, grepen de eerste avant-premières al plaats, en wel in twee theaters tegelijk: in De Fantast te Gent, op de Gentse Feesten van 2002, maar tegelijkertijd, vroeger overdag, in het gezellige, carrouselvormige Variététheater in Oostende. Op Radio 1, in het programma “De Zomer Van”, kon ik er een uurlang reclame voor maken. De laatste dag van die eerste week speelde ik het stuk maar liefst vier keer na elkaar: eerst tweemaal aan zee, daarna overnieuw tweemaal op die smoorhete zolder te Gent. De zalen zaten vol, het publiek was erg tevreden, hier en daar zelfs aangegrepen.
Op basis van een video-opname van een editie in het Cultureel Centrum van Leuven, op 23 februari 2003, wist Riki mijn algehele, live gedeclameerde tekst uit te typen en sito presto te publiceren. Serge van Duijnhoven en ook mijn eigen Vader zijn van mening dat dit boekje, de theatertekst van “De Ondergang Van patrick Dieltjens”, mijn beste boekje tot dusver betekent, doch voor mijzelf voelt het toch enigszins aan als partituren die een dirigent zich ertoe bewogen ziet, zijn vrienden te overhandigen, waar hij, in plaats daarvan, liever het orkest had laten spelen.
De inhoud van dit koortsachtige verhaal is gebaseerd op mijn jeugdherinneringen aan, in het bijzonder, Charles Jarvis. Inmiddels was die vreemde vogel, die gedreven visionair, tevens mijn allereerste kameraad ooit, in de psychiatrie verzeild geraakt; ergens in het jaar 2000 was hij, diep in zijn crisis, op zo’n erbarmelijke manier aan mijn voordeur opgedoken, krijtgrauw, zonder tanden, werkelijk als Lazarus uit het graf, dat ik hem eenvoudigweg niet binnen liet. Moreel knaagde dit aan mij als een onoplosbaar vraagstuk. De grondnoot van deze vertelling eruit bestaande, spartaans aan een kale tafel geformuleerd, dat het succes, het zuivere welslagen van de ene persoon per definitie gecombineerd gaat met het verlies, de ondergang van de andere. Mensen kunnen, zo luidt het, enkel of maar alleen worden geroemd op voorwaarde dat iemand anders zou worden vernederd.
Dit bepaald ascetische inzicht ten spijt, leefde ikzelf intussen, in waarheid, als een gemakkelijk te verwennen, fluwelen soort van slingeraap, beschermd van de ene fijne dag naar de andere. Het was fijn om eindelijk geld in mijn laatje te hebben rollen en om, los daarvan, te worden bemind, zoals door de Panter, met wie ik één was – al genoot ik er net zo goed van om, tegelijk, te worden gegeerd door velerlei anders mooie meisjes. Wat dus absoluut vreselijk was; hoe ik de Panter aan het bedotten was, hoeveel jaar lang nu al, eigenlijk?... Mijzelf wijsmakend dat ze hiervan wist, dat dit een evidentie was voor iedereen, een moedwillige stupiditeit van me – alles hier bij elkaar zowat het allerenige waar ik spijt van heb, in mijn gehele bestaan. De enige herinnering die mij beschaamt. Ik kon echter gewoon niet anders. Ik kon niet anders.
Begin augustus 2002 wilde het kunstdienstencentrum Villanella mij opnieuw gebruiken. Als een vervolg op mijn zogenaamde “bed-in” in het treinstation van Berchem precies het jaar tevoren, werd ik gevraagd om een wandeling voor publiek op touw te zetten, uitgerekend door de buurt waarvan ik inmiddels, toevallig, tot een zekere specialist werd; Stuyvenberg. Uit schrik voor sommige brutale knapen die je hier, met toneel op straat, tegen het lijf kan lopen, het Superman-trauma ook weer indachtig, zag ik het dus niet zitten om deze opdracht in mijn eentje klaar te spelen, doch wel drong ik erop aan bij Daan Rosseel, alias “Baby Olifant”, om me bij te staan. Hij had een luide stem en een snelle geest en een stevige portie humor, en bovendien was hij inmiddels een goed opgeleid bokser ook. Onmogelijk om bang te zijn als je naast hem liep, hij was sterker dan eender wie.
Die rondleiding, waarbij ik vaak letterlijk op zijn schouders zat, werd een totaal succes, met drommen belangstellenden die er vijf maal daags voor bijeen kwamen, te vertrekken aan Café De Klamper in de Offerandestraat; hun aantallen bedroegen vaak rond de honderdvijftig per wandeling; we schreeuwden ons hees, na een paar middagen brak onze stem, en moesten we die bende zien te onderhouden met een krachteloos, futiel fluistergeluid.
Als ik thuis kwam, was ik uitgeput, doch trof ik Sven Roofthooft vaak nog aan, die met hamer en beitel aan mijn tuinhuis zat te schaven en boren. Mijn achterburen, de Tamtamkloppers, zogenaamd, maakten mij al te veel kabaal bovendien - een zenuwslopende zomer, dewelke mij echter stevig in de greep hield, en wel om me te blijven beproeven en bestoken, als ware dit op bestelling van Jahwe. Het werd midden augustus en het werd snikheet; ik schafte mij een zwembadje aan bij Blokker; er lagen geen exemplaren van in de winkel, dus liep ik ervoor naar de kassa -“Ik zoek een opblaasbaar zwembadje.” “Voor kinderen van hoeveel jaar?” Aldus die verkoopster. “Tja,- ik geloof, een jaar of acht,” zo stamelde ik lafhartig. Waarom echter, nu we hieraan terugdenken, ontbrak het mij op dat ogenblik aan het eerlijke lef om te zeggen:“Dit zwembadje is niet voor een kind! Dit is voor mijzelf!” Die hittegolf wees mij echter de weg, precies toen dat zwembadje was opgepompt en met fris water gevuld, naar Brugge, zover weg - en wel, met name, voor een festival getiteld “De Kapers”, alweer iets van Villanella, of toch gedeeltelijk; een groots opgevat doch alleen wazig aanduidbaar kunstproject dat werd gekaderd in wat heette “Brugge 2002”. Voor een niet onaardige som gelds, wat op zich tof was, was ik gevraagd om aldaar, op een uitgestrekt parkeerterrein bij velerlei leegstaande fabrieksloodsen, een weeklang een workshop performance te geven, aan ladingen schoolbussen vol jongeren die er campeerden. Riki reed mij met tegenzin naar deze bedoening toe. Het was té warm, en los daarvan beleefde zij ook zelf eventjes een slechte trip, al rijdend onafgebroken telefonerend, bekvechtend, zo leek het, met een stel fascisten, die geld van haar eisten,- ellende rond Naamloze Vennootschappen en die troep...
Het festival in kwestie, aldus die “De Kapers”, zou, en dat voorzag zij dus, uitdraaien op een van een de meest deprimerende evenementen waar ik ooit aan meewerkte. Dag na dag was ik ermee doende, een stel jongeren zogezegd een toneelstuk in elkaar te leren steken; ’s avonds traden mijn “leerlingen”, zogezegd dan, op, teneinde pas op het einde van de week, als afsluiter, deel uit te maken van een fesival van show cases. De enige troost in dit schamele, nutteloze verwijlen was wel het zekere gegeven dat ik er de jonge snaken van de acteursgroep “Play” leerde kennen, die wel grappig waren, een beetje vergelijkbaar met de jonge Bulderdrangers, doch iets minder extreem. Voor mijn eigen residentie, dewelke, hier nog meer precies uitgerekend, een negental dagen zou voortduren, was mij een miezerige caravan aangewezen, overigens vlak bezijden de caravan van de lenige gezellin van Jasper Warlop, welke laatstgenoemde (zie ook: februari 1999) af en toe langskwam om haar te troosten. Niemand was hier graag. Ook, vooral zelfs, doordat er voor onze optredens nooit ook maar één belangstellende opdaagde. Er was nooit één mens publiek van buitenaf. Plus daarbij dus ook die hittegolf van jewelste, die bleef voortschroeien... En voor die gegijzelde jongeren zelf was er iedere avond een fuif voorzien in de meest gigantische hangar die er was, en van waaruit derhalve, steeds tot diep in de nacht, het gedreun en het gedaver weerklonken van fnuikende house,- geen oordopjes ertegen opgewassen... Een foltering kortom.
Tussen die zogenaamde workshops door, die enkel plaatsgrepen in de namiddag, had ik in dit stoffige inferno simpelweg totaal niks om handen - doch om hier nu zomaar weg te lopen? Dat kon ik, vond ik, ook niet maken (zowel de Panter als Riki sms’ten mij nochtans aldoor:“Maak dat je daar weg komt!”) Vanwege die hitte, die mateloze verveling en dat afgrijselijk kabaal kon ik eenvoudigweg niet meer nadenken, mijn hersens vielen gewoonweg uit – doch juist daarom wist ik, ten zoveelste male, van de onverbiddelijke nood toch weer een deugd te maken - welk vermogen mijn voornaamste eigenschap is; ditmaal door van de gelegenheid gebruik te maken, hier in mijn minuscule caravan, aan een rammelend tafeltje bij de koffiemachine in de loomte, een zuiver pornografische roman te beginnen te fabriceren – feitelijk schreef ik twee pornografische kortverhalen, dewelke enige maanden later echter tot een, behoorlijk wanstaltige, kleine roman zouden uitgroeien; aldus ontstond “De Stiefmoeders”. Dit klopte: in de klamme, zweetachtige omgeving waar ik toefde, was dit het enige logische nog om te doen. Als achttiende eeuws geïnspireerd libertijn had ik mij er sowieso al een half leven lang toe aangemaand geweten, ook aan dit genre, de pornografie, vroeg of laat iets toe te voegen, ter ere van de zich wijd vertakkende vorm van mijn literaire oeuvre alleen al. Ik wilde het zuiver sensuele in mijzelf eens onderzoeken - op ontdekkingsreis, niks minder, naar de meest spontane beeldengeneratie van mijn eigenste, meest onbezorgde fantasieën; bij een nalezing ervan, veel later pas, namelijk eens die ongein van de drukker kwam, onder de uitgeversauspiciën van Riki, zou ik tot het inzicht komen, er uiteindelijk toch maar opvallend brave droomlandschappen op na te houden, van een zeker puberaal niveau, over een nadrukkelijk zachtaardig Utopia, dat zelden verder reikt dan een paar lesbiennes in een antiek zwembad, op zoek naar iemands bikinibroekje. Werkelijk brutale dingen vinden hier geen plaats. De hoofdfiguur schijnt een voortzetting van mijn zelfgecreëerde personage “Viktor Vasteman” uit “Het Huis Met Het Jachtgeweer”; ditmaal gaat het over een zekere Pjotr Lavaski, die net zo lief iedere zin voor initiatief ontbeert, maar uitzichtloos onderworpen schijnt aan veelal sluikharige, twintig- tot veertigjarige discotheekdanseressen.
In verwoede samenwerking, lezers, met mijn altoos geïnspireerde Broer Serge was ik al wel eens eerder, meermaals zelfs, doch telkens vergeefs, aan een pornografisch stripverhaal aan het arbeiden geweest; de prachtige tekeningen die hij daar toen reeds voor bij elkaar had vervaardigd, konden nu als vanzelfsprekend bij de roman worden ingezet als illustraties. Voornamelijk daarom, ongetwijfeld, werd het boek een zekere hit, althans naar Vitalskiaanse normen: eens het op de markt kwam, 7 februari 2003, precies één week voor Valentijn, werd het in alle gewone boekhandels aangenomen in veelvoud, en werd het op twee maanden tijd algeheel uitverkocht – toch overnieuw een toffe duizend exemplaren. Er verschenen sportieve recensies over, ook in bladen als Feeling, en ik kwam er driemaal voor op de radio.
Begin september 2002, nog onderwijl ik er zo druk mee doende was, “De Stiefmoeders” verder uit te schrijven, verscheen bij Kingkong evenwel eerst nog, zoals een halfjaar van tevoren uitgestippeld, mijn weeshuizenroman in briefvorm, “De Verknalling”. Dit geschrift werd, altoos onder Riki’s bedachtzame curatele, voorgesteld in een speciaal voor deze gelegenheid afgehuurd, leegstaand winkelpand in de Kammenstraat, toevallig vlakbij waar eertijds De Ysfabrik was gevestigd. Er greep, de kleine omvang van dit pand ten spijt, een muzikaal optreden plaats van Harakiri, het meidenpunkgroepje van Caroline Werbrouck, en voorts werden er in deze zogenaamde “One Night Shop” ook tekeningen en schilderijen van me tentoongesteld en verkocht, dewelke ik sinds mijn verhuis was beginnen te vervaardigen, veelal met, ook ’s winters, de ramen wijdopen en de volumeknop op negen (voor mijn aangroeiende verzameling vinylplaten van Robert Johnson en andere Deltabluesmusici.) Omdat ik, sinds mijn verhuis, ongeveer was opgehouden met caféhangen, en vaak alleen was bovendien, had ik voor dit soort van meditatief tekenplezier erg veel tijd vrij, zodat de verf en de alcoholstift elkaar afwisselden, soms onder de vreemde, om niet gezegd te hebben nefaste invloed van wat heette “spacebanaan”, tot mijn schande; bruinzwart gebakken hasjiesj op gestolde suiker, bovenop een handjevol gebakken schijfjes banaan, die op eigen beurt in grote hoeveelheden kolkende, bruine bakboter moeten gesudderd. Onder invloed van zo’n spacebanaan, door mij hem persoonlijk bezorgd, was, overnieuw nog te Tilburg, inmiddels een halfjaar terug aldus, op hotel, Serge van Duijnhoven door Christophe Vekeman fysiek tegengehouden moeten worden, of hij zou door het raam van het tweede naar beneden zijn gesprongen. Ook Frederik Picard, die mij als voorzitter van Vzw Spitspot in die tijd vaak programmeerde, proefde er eens van: hij liep er prompt van achteruit, door mijn woonkamer. “Ik wéét dat ik acheruitloop,” riep hij. “Ik kan het echter niet verhelpen!”
Er verschenen twee of drie recensies over “De Verknalling”. Doorgewinterde vrienden als Marsboom schreven er goeie dingen over, maar in Knack stampte criticus Hans Comijn de novelle met zichtbaar genot met de grond gelijk. “Slaapverwekkend verhaal,” “Krakkemikkig taalgebruik,” “Een zeer oninteressant hoofdpersonage, dat affiniteit noch medeleven kan opwekken. Zelfs geen medelijden.”
Het boek geraakte moeilijker verspreid dan de andere. Af en toe bereikte er mij wel een compliment ook... Wie het mijn beste boek tot dusver noemen, zijn meestal meisjes...
Eind september verbleef ik met de Panter in Sicilië, waar we een grandioze tijd beleefden. We zagen elkaar in het jaar veel te weinig, waren ieder met eigen dingen bezig.
Meteen na die reis bracht ik inderhaast, tezamen met mijn rockgroep, die niet mocht sterven, de Living Tornado’s, een heuse single uit, getiteld de Befmachine. Met een videoclip van de Panter erbij, en met backing vocals door Marilyn Ambach. In Humo verklaarde Marilyn meteen, nog voor de single uitkwam, dat ze met die opnames niks te maken had, maar dat is zeer vreemd, aangezien je haar stem er duidelijk op kan horen meezingen en hijgen. Op 28 en 29 oktober deden we een paar optredens om de single voor te stellen, met Marilyn erbij, onder andere in de Fnac van Gent en in die van Antwerpen. In Antwerpen kwam er, tussen de drukte in, een wat oudere, opgedirkte dame met een hoedje en vele kraalkettingen naar me toe, om mij in alle ernst mede te delen:“Jij bent Jezus Christus.” En daar nog aan toe te voegen:“Jij denkt dat ik gek ben - toch is het zo: jij bent Jezus Christus.” En daarna verdween ze weer tussen mijn vrienden.
Riki hield niet van de Living Tornado’s, en van geen enkele van mijn muzikale aspiraties, maar toch hielp ze mij ook in deze verder op weg, vermits ze, voor onze campagnes, mijn veelzijdigheid op zich wel graag benadrukte.

Zondag 24 november 2002 zat ik, rond de middag, achter mijn pc aan een column te schrijven, toen ik, van niet zover weg, een luide knal vernam - allicht een revolverschot, dat leed niet veel twijfel. Een paar minuten nadien kwam er, haastig en opgehitst, een agent door mijn voorste ramen gluren,- waarom? Hij was er, gelukkig, meteen weer vandoor... Een uurtje daarna vernam ik op de radio wat er gaande was: hier om de hoek, in de Schapenstraat, was er een Marokkaanse jongen neergeschoten door zijn bejaarde buurman. De hele Kerkstraat en meer nog de Turnhoutsebaan stonden op stelten; ingeslagen winkelruiten en bushokjes; bommetjes die heen en weer vlogen; de gewraakte Antwerpse politiehelicopter die overuren deed. ’s Avonds begaf ik me naar Café De Kroon: de kroegbaas, Eddy Borlie, hield open, niet zonder eerst al zijn vensterrolluiken te hebben neergelaten. De gehele Scheldestad liep een trauma op, een soort elf september in eigen huis, en Stuyvenberg een stigma. Voor hun bereidheid om officieel te verklaren dat deze moord niet racistisch, maar zuiver psychiatrisch werd geïnspireerd, mochten we de nabestaande familieleden van de betreurde Mohamed Achrak bedanken op onze beide, blote knieën. De nasleep van deze tragedie zou anders zijn gekwadrateerd.

Met de feestdagen, om het jaar af te sluiten, brachten we met de Tornado’s meteen reeds een tweede single uit, “Klein Gevaarlijk Afval”, een waarachtige kerstsingle – met, inclusief, kerkklokken op de achtergrond en, vlak voor het laatste refrein, een heuse nieuwjaarsboodschap. De opbrengst van dit prul, zo er al sprake zou zijn van een opbrengst, zou worden doorgestort aan de Antwerpse Volkskeuken, de instelling voor hongerige armoedzaaiers. Alles bij elkaar werd dit de enige post-Circus Bulderdrangsingle van me welke toch, gedurende een paar weken, bij diverse radiostations werd opgelegd; - al ging het om een minder interessante opname, dus dat was een beetje pech; zoals het radioboegbeeld Luc Janssen in eigen persoon het mij stelde, toen ik hem uit eigen beweging om zijn mening vroeg: zelfs de B-kant is een tegenvaller... Al bleef het voor mijzelf wél de moeite waard omwille van de bepaald vervreemdende gewaarwording op zich, die ballade, zoals gebeurde, te mogen aanhoren in een grootwarenhuis, uitgerekend terwijl ik bezig was met mijn kerstinkopen.
Op eigen kosten liet ik op tweeduizend exemplaren een affiche verspreid worden dat voor niks of niemand reclame maakte, maar de vorm had van een nieuwjaarsbrief: de Nachtburgemeester wenste zijn burgers een vredevol 2003 toe.
Een kleine tien dagen daarop werd dit affiche nagemaakt door, en namens, het Antwerpse stadsbestuur zelf, dat duidelijk niet wilde achterblijven...
De jaarwisseling, hoc loco misschien de meest gevierde sinds die van 1984 (toen onder invloed van Band Aid), werd nog eens extra in de verf gezet door een drietal pagina’s tellend interview in Knack, hetwelk, hier bij me thuis onder de beddendekens, Linda Asselberghs van mij afnam, met als onderwerp zowat geheel mijn doen en laten: mijn chaotische verleden en mijn verhuis, mijn boeken en optredens, mijn leguanen, mijn lijdensweg. Mijn liefdesleven en mijn verlossing. De volgende middag kwam Gie Kokken me voor dit artikel fotograferen, en de dag daarna opnieuw, daar Linda over zijn eerste resultaten niet tevreden was.
In de boekjes was het alleszins weer een goed jaar voor me geweest. Juist na de eeuwwende waren er in de Vlaamse geschreven pers ineens een curieus aantal gloednieuwe magazines boven de doopvont gehouden, voor een kortstondig, maar uitgebreid B-circuit in de Vlaamse krantenwinkel; magazines als de vernieuwde Teek, het damesblad Lola, het glossy magazine Cover, het op Humo inbeukende Bonanza; zonder uitzondering al deze boekjes gaven mij een forum; doordat ik gevonden vreten voor ze was; op zoek als zij waren naar nieuwe modellen, en niet beroemd doch ook niet onbekend als ikzelf was.
Om diezelfde reden, dwz. door het feit dat ik een beetje bekend was maar tegelijk erg bereikbaar, werd ik trouwens ook ongeveer aanhoudende gevraagd om op de valreep ziek gemelde presentatoren en acteurs te vervangen; ik werd zo’n beetje, zonder het te betreuren, de Schotelvod Van Het Vlaamse Live Entertainment. “Er valt iemand weg??, - bel Vitalski!”
Ook de televisie werd iets beweeglijker. In 2001viel mij een eenmalige gastrol te beurt in de ziekenhuisserie “Spoed”, waarvoor ik in de huid kroop van een travestiet die moest worden neergeschoten. In 2002 maakte, voor zijn programma “De Dag Van...”, voor VT4, de geëerde televisiemaker Dimitri van Zeebroeck een prachtig uitgebalanceerd portret van me; toevallig trof hij me, precies voor het etmaal dat hij wilde vastleggen, op een dag dat ik niet één, maar twee optredens voor rekening nam: ’s avonds met “De Ondergang Van Patrick Dieltjes” in een spiegeltent in Oostende, in opdracht van Theater Aan Zee, ’s nachts met een geïmproviseerde gig met de Living Tornado’s in Boeckenborg, Deurne. Van Zeebroeck was de eerste die mij op televisie niet als een freak opvoerde, maar portretteerde als een hard werkend performer, begaafd en niet geheel succesloos, en als een schrijver, dichter, zanger en humorist. Mijn haar lag op zijn beelden goed, en mijn Moeder haalde verlicht adem. Ook toen ik, nog steeds in 2002, in “Vlaanderen Vakantieland” opdook, waar ik de kijkers thuis aan de hand van “De Geur Van Nat Haar” de weg door Antwerpen wees. Onder andere naar Schilde Strand, waar Tinus Wolf, om aan het Antwerpse dronkemansleven te ontkomen, naar een pittoreske chalet was verhuisd, en vurig piano speelde.